Een plek is geen getal

Vorige week kwam de Atlas voor Gemeenten uit, het jaarlijkse onderzoek dat het woonklimaat van de vijftig grootste gemeenten in ons land met elkaar vergelijkt. Opnieuw wordt de lijst aangevoerd door Amsterdam, Utrecht en Amstelveen. Qua woonaantrekkelijkheid scoren de Twentse steden niet hoog: Hengelo staat op de 37e plaats, Enschede op plek 43 en Almelo op 44. Maar het is er nog niet zo erg als in Spijkenisse, Sittard-Geleen en Emmen die traditiegetrouw onderaan de lijst bungelen. Volgens de Atlas voor Gemeenten kun je daar maar beter niet wonen.

We leven in een tijd van tellen, turven en toetsen. Dat we de prijs van een mand boodschappen bij de Albert Heijn en Jumbo naast elkaar leggen is nog daar aan toe. En ook economische cijfers van gemeenten (denk aan het aantal werklozen en bedrijfsvestigingen) laten zich wel met elkaar vergelijken. Maar het is belachelijk dat onderzoekers een uitspraak doen over zoiets subjectiefs als het woonklimaat. Woonaantrekkelijkheid laat zich niet in indicatoren, statistieken en cijfers vangen. Voor een gezin is Amstelveen misschien een eldorado, maar een beetje student vindt het er maar saai. Het probleem van de meeste woonlijstjes is dat ze niet naar leeftijd, levensstijl of beroepsgroep specificeren. Ze zijn het resultaat van gemiddelden, een maat waarover Godfried Bomans eens opmerkte: ‘Een statisticus waadde vol vertrouwen door een rivier die gemiddeld één meter diep was. Hij verdronk.’ Bovendien is de keuze van indicatoren bepalend voor de uitkomst: je krijgt eruit wat je erin stopt. Zo dragen volgens de onderzoekers van de Atlas onder meer het aanbod van podiumkunsten en het culinaire landschap bij aan de woonaantrekkelijkheid. Goed, het is leuk als je elke dag kunt kiezen uit tientallen theatervoorstellingen en kwaliteitsrestaurants. Maar hoe belangrijk is dat nu echt voor ons woongenot? De meeste mensen wonen gewoon ergens, hebben hun vaste adresjes om uit eten te gaan en zitten net zo lief thuis op de bank.

Gelukkig heeft de Atlas voor Gemeenten concurrentie. Komende zaterdag verschijnt het Elsevier-onderzoek ‘De beste gemeenten’ dat de woonaantrekkelijkheid van alle gemeenten in ons land met elkaar vergelijkt en daarbij z’n eigen indicatoren hanteert. Ik voorspel dat de relatieve score van de steden in die lijst er deels anders uitziet dan in de Atlas-ranking. Dat geeft meteen de waanzin van de statistische voodoo weer waarop de ranglijsten zijn gebaseerd. En ook al zou het zo zijn dat Amsterdam objectief gezien aantrekkelijker is dan Almelo, dan nog verhuizen Almeloërs niet massaal naar onze hoofdstad. De ‘plakfactoren’ zijn echt niet alleen praktisch van aard, zoals werk, familie, vrienden en het feit dat de kinderen nog op school zitten. Velen van ons hebben namelijk warme gevoelens bij hun woonplaats, al dan niet gekleurd door hun persoonlijke leven. Dat geldt zeker in Twente, waar de inwoners tot de meest honkvaste van ons land behoren. Laten we daarom niets uitdoen op die lijstjes. Echt: wat onderzoekers ook beweren, een plek is geen getal.

Deze column is eerder gepubliceerd in de Twentsche Courant Tubantia van 23 juni 2016

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Ik wil meer informatie

Bel mij terug

Bekijk alle columns