Filosofie van de straat

Wat zouden steden zijn zonder hun straten? Een straat maakt mobiliteit van mensen onder alle weersomstandigheden mogelijk. De Romeinen onderscheidden ‘viae terrenae’ (onverharde wegen) van ‘viae stratae’ (verharde wegen). Zo’n ‘via strata’ – ons woord ‘straat’ is ervan afgeleid – trof je vooral in de grote steden aan. Overdag was het er een drukte van belang. In 73 na Christus had de stad Rome volgens Plinius de Oudere ongeveer 85 kilometer aan straten. Het merendeel daarvan, met aan weerszijden woningen, winkels en cafés, was bedoeld voor voetgangers. Ze waren zo smal dat karren er niet altijd doorheen pasten. Ook de middeleeuwse straten waren nauw. Dat was geen probleem, want bijna iedereen verplaatste zich te voet.

Hoe anders ging het eraan toe op de boulevards van de negentiende eeuw! Deze brede en statige straten werden geheel planmatig aangelegd. Nergens kunnen we dat beter zien dan in Parijs rond 1860: met het bouwen van lange boulevards doorboorde baron Haussmann de wirwar van nauwe straatjes in de binnenstad. Dat kwam hem op grote kritiek te staan, want menig Parijzenaar herkende zich niet meer in zijn stad. Gewone voetgangers telden niet meer mee, militaire parades en rijtuigen met paarden kregen voorrang. Voor de overheid waren de boulevards een symbool van macht, voor de rijken een plek van ‘zien en gezien worden’. Qua lengte en geometrie leken de boulevards wel wat op de efficiënte straten die de Zwitsers-Franse architect Le Corbusier in zijn ‘The City of Tomorrow and Its Planning’ (1929) voor ogen had. In de ideale stad draaide het volgens hem om orde, snelheid en efficiëntie. Brede en lange straten konden daar als ‘machines voor verkeer’ een essentiële bijdrage aan leveren. Ze hadden geen andere functie dan het verbinden van A met B. De oude straat had afgedaan, het was tijd voor iets nieuws: de straat van de toekomst.

De visie van Le Corbusier heeft veel invloed gehad. Zo is Brasilia – sinds 1961 de nieuwe hoofdstad van Brazilië – op zijn ideeën geïnspireerd. Uit het niets bouwde architect Oscar Niemeyer een stad met verkeerswegen waar voetgangers volledig aan hun lot zijn overgeleverd. Maar niet overal kon het rationalistische gedachtengoed van Le Corbusier op enthousiasme rekenen. Toen er in het midden van de jaren vijftig in New York een ‘efficiënte straat’ dreigde te komen, dwars door Greenwich Village, leidde dat tot veel verzet. Een wijkbewoonster, Jane Jacobs, ging letterlijk de straat op. Ze betoogde dat een straat niet gezien moest worden als een verkeersader, maar als een podium voor stedelingen die er hun ‘straatballet’ opvoeren, van het buitenzetten van een vuilniszak tot het maken van een praatje met een wijkbewoner op de hoek. Jacobs heeft gelijk: de straat heeft behalve de functie van verkeersader ook sociale betekenis. Al vanaf de Romeinen is de straat voor iedereen toegankelijk – ze is de openbare ruimte bij uitstek.

Deze column is eerder gepubliceerd in Stadswerk Magazine 04/2018

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Ik wil meer informatie

Bel mij terug

Bekijk alle columns