Grenzeloos wandelen

Op een zondagmiddag wandel ik door het Nederlands-Duitse grensgebied tussen Buurse en Alstätte. Bij de ingang van natuurgebied het Witte Veen en ANWB-paddenstoel no. 24431/001 zie ik een plaquette liggen. Het gedicht dat erop staat is van regionalist J.J. van Deinse en komt uit 1932. Het begint zo: ‘Oons Twenthe und ’t Münsterlaand/Dee sünd van eenen stam/‘t Was al te hoop ’t Saksenlaand/Lang vöör de grens hier kwam’. De rest van het gedicht gaat over de overeenkomsten tussen Twente en het Münsterland, in bebouwing, taal en natuur. In de laatste twee regels stelt Van Deinse dat de merel en nachtegaal aan weerskanten van de grens even helder zingen. Een treffend beeld, vind ik. De natuur heeft inderdaad geen boodschap aan de barrières die de mens in de loop van de tijd heeft opgeworpen. Aan Nederlandse en Duitse zijde is het Witte Veen even mooi.

Ik wandel verder en leg aan bij Landgasthof Haarmühle, een prima plek voor ‘Kaffee und Kuchen’. Bij de meer dan 350 jaar oude watermolen annex horecagelegenheid is het een drukte van belang. Hier zie je het Saksenland anno 2017 in de praktijk: op de parkeerplaats staan auto’s met witte en gele nummerborden, er zijn Duitse en Nederlandse gasten en op de menukaart staat het beste van twee werelden. Je kunt er bijvoorbeeld vers gebakken brood met Westfaalse metworst of Hollandse kaas krijgen alsmede ‘Stipp in de Pann’, een grensoverschrijdend streekgerecht. Gelegen op een zandrug in het veen is de Haarmühle al eeuwenlang een ontmoetingsplek voor grensgangers. Naast Duits en Nederlands spreekt men er vanouds de streektaal. In zijn gedicht schrijft Van Deinse daarover: ‘…de oale sproak, oons mooie oale platt/Dat vrogger jeder sprekken konn/Opt ’t land und in de stadt’. Genietend van mijn koffie en appeltaart hoor ik dat iemand in het Twents wat bij de serveerster bestelt. Ze verstaan elkaar letterlijk en figuurlijk. Bij de Haarmühle lijkt de grens helemaal weg.

Bij thuiskomst wil ik meer weten over de prachtige natuur in het Witte Veen. Tijdens mijn zoektocht stuit ik op een scriptie van UT-studente Merlinde Al. Vorig jaar deed ze onderzoek naar de effecten van de Nederlands-Duitse grens op het beheer van het heide- en bosgebied. Wat blijkt: er zijn nog een hoop barrières te overwinnen. Het Witte Veen wordt in feite als twee losse gebieden beheerd. Aan Duitse en Nederlandse zijde gelden andere wetten en regels, of het nu gaat om waterbeheer, mogelijkheden om te jagen en de bescherming van bedreigde diersoorten. Door een raster in het noorden van het Witte Veen worden de Schotse Hooglanders zelfs gescheiden van de Heckrunderen die aan Duitse zijde grazen. Als argeloze wandelaar heb je daar geen weet van. Want op het informatiebord van Natuurmonumenten tegenover de Haarmühle staat in de geest van Van Deinse: ‘Hier merkt u dat de natuur geen grenzen kent. De boomkikker zwerft zowel in Duitsland als in Nederland rond’. In het Saksenland blijven de vogels en kikkers de ware grensgangers. Ze zingen en kwaken er grenzeloos op los. Daar kunnen de wet- en regelgevers nog wat van leren.

Deze column is eerder gepubliceerd in de Twentsche Courant Tubantia van 11 mei 2017

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Ik wil meer informatie

Bel mij terug

Bekijk alle columns