IJdele Romeinen

Hoe ontdeden Romeinse mannen zich van hun baardharen? Dat vroeg ik me begin vorige week tijdens het scheren opeens af. Nu denkt u waarschijnlijk: heeft een columnist geen diepere gedachten in deze turbulente verkiezingstijd? U heeft gelijk, de scheergewoonten uit de klassieke oudheid zijn niet echt een actueel en relevant thema. Maar voor mij was het dat wel eventjes, omdat ik de dag ervoor in Rome een hoop beelden en bustes van belangrijke Romeinen had gezien. Het viel me telkens op dat de in marmer vereeuwigde mannen – keizers, generaals, staatslieden – vrijwel allemaal baardloos waren.

Terug in Twente vond ik het antwoord op mijn vraag onder meer in het boek ‘Alltag im Alten Rom. Das Leben in der Stadt’ (2006) van de Duitse hoogleraar oude geschiedenis Weeber. Hij schrijft dat de Romeinen in de eerste eeuwen wel degelijk hun baard lieten groeien. Pas rond 300 voor Christus, toen in Rome de eerste barbier zijn winkel opende, kwam scheren in zwang. Die gewoonte duurde aan tot de regeerperiode van keizer Hadrianus (117-138 na Christus). Ruim vierhonderd jaar heeft de Romein zijn baard dus geschoren. Welgestelde mannen gingen ervoor naar de kapper, de lagere klassen deden het regelmatig zelf. Voor een jongeman was de eerste scheerbeurt een feestelijke gebeurtenis. Deze ‘depositio barbae’ (het afleggen van de baard) vond plaats omstreeks het twintigste levensjaar. Als ze oud en grijs werden, lieten veel Romeinen weer een baard staan. Ongetwijfeld heeft dat te maken met het scheerprocedé. Want er kwamen alleen water en een scheermes of pincet aan te pas. Scheren moet behoorlijk pijnlijk zijn geweest. Wondjes aan het gezicht kwamen veel voor. Bij schrijver Martialis lezen we bijvoorbeeld: ‘Wie niet in de onderwereld wil afdalen, moet Antiochus, de barbier, mijden. De talloze littekens op mijn kin, waardoor ik er als een bokser uitzie, stammen niet van de nagels van een woedende vrouw, nee, ik heb ze te danken aan het vervloekte mes dat Antiochus in handen had’.

De Romeinen waren ijdel en hadden het er blijkbaar graag voor over. Een baard, die droeg je alleen als je weinig om je uiterlijk gaf of kon geven, in de rouw was of om te laten zien dat je je met hogere zaken zoals filosofie bezighield. Netjes geschoren was de norm. Aan het begin van de tweede eeuw zorgde keizer Hadrianus er echter voor dat gezichtshaar in de mode kwam. Zelf liet hij een baard staan om de moedervlekken en littekens in zijn gezicht te bedekken, zo wil het verhaal. Maar als keizer was Hadrianus natuurlijk een lichtend voorbeeld voor de gewone Romein – en de hipsterbaard was geboren. Anders dan nu bleef die baard een stuk langer in de mode. Pas tijdens de regeerperiode van de baardloze keizer Constantijn de Grote (306-337 na Christus) haalden de Romeinen weer massaal hun scheerspullen voor de dag. Opnieuw luidde het credo ‘wie geschoren wordt, moet stilzitten’. Dat is overigens ook een advies dat politici vaak ter harte nemen als ze onder vuur liggen. Romeinen, scheren en verkiezingen, ze hebben toch iets met elkaar te maken.

Deze column is eerder gepubliceerd in de Twentsche Courant Tubantia van 9 maart 2017

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Ik wil meer informatie

Bel mij terug

Bekijk alle columns