Theorieën over Tukkers

Waarom heten Tukkers eigenlijk Tukkers? Een simpele maar terechte vraag. Een vriend uit Limburg confronteerde me er een tijdje geleden mee. Als je erover nadenkt, is het best bijzonder dat er een aparte naam voor de inwoners van Twente is bedacht. De bevolking van een streek wordt vrijwel altijd vernoemd naar het gebied waar ze woont. Limburgers komen uit Limburg, net zo goed als Friezen uit Friesland komen en Zeeuwen uit Zeeland. Oké, Achterhoekers worden in navolging van spelers en fans van De Graafschap steeds vaker aangeduid als ‘superboeren’, maar die geuzennaam heeft niet zo’n traditie als de term Tukker. Soms hebben regiobewoners niet eens een naam. Want hoe moeten we iemand uit de Kop van Overijssel noemen?

Terug naar de vraag waarom Tukkers zo heten. Het antwoord is niet eenvoudig. Sinds de discussie hierover ruim een eeuw geleden losbarstte, zijn er verschillende theorieën naar voren gebracht. Zo kan de bijnaam afgeleid zijn van het woord ‘tukkeren’ dat ‘mank lopen’ betekent. Verklaring: in vroeger eeuwen gingen Twenten met beengebreken op bedevaart naar het Duitse Stadtlohn in de hoop daar genezing te vinden. De Duitsers zouden de stoet hinkende Twentenaren Tukkers hebben genoemd. Andere deskundigen leggen een relatie met het woord ‘tuk’ dat ‘broekzak’ betekent. Tukkers zouden graag met hun handen in de zakken lopen, wil het verhaal. Het klinkt mij net zo speculatief in de oren als de theorie die zegt dat onze bijnaam te maken heeft met het dialectwoord ‘tukkeren’ (talmen, dralen). Volgens die interpretatie kijken Tukkers de kat uit de boom voordat ze in actie komen. De stap van sloom naar slaperig is snel gezet. Want wie in cryptogrammen iets moet verzinnen voor ‘slapende oosterling’, wordt geacht ‘Tukker’ in te vullen. Tsja, als we de binnenkant van onze oogleden willen bekijken, gaan we inderdaad een ‘tukje’ doen.

Voor de meest plausibele verklaring van onze bijnaam moeten we echter de natuur in. Vroeger was Twente één en al heidegebied (‘het land van het bruin verschiet’) waar een hoop ‘kneutjes’ rondvlogen. De ‘kneu’ is een levendig zangvogeltje dat doet denken aan de vink. In Oost-Nederland werden de beestjes ‘tukkers’ genoemd en van lieverlee is men er de Twentenaren zelf mee gaan aanduiden. Tukker betekent dus niets anders dan ‘heikneuter’. Meer kan ik er helaas niet van maken. Maar wie een kneu in het echt of op een foto heeft gezien, moet constateren dat het een heel vrolijk, sympathiek en fotogeniek vogeltje is. Als Tukker vind ik het geen probleem om me met dit gevederde vriendje te associëren. Sterker nog, je vraagt je meteen af wat dat ros – het bekende witte paard – op de Twentse vlag nog te zoeken heeft. Er zou een kneutje op moeten staan, zoals Theo Schildkamp in zijn boekje ‘Zonsopkomst: Twentse vertellingen’ (1990) al betoogt. Maar zouden we daar de handen in Twente voor op elkaar krijgen? Ik denk van niet, want daarvoor zijn wij Tukkers te trots op het ros – net zoals op onze krachtige en fraaie geuzennaam.

Deze column is eerder gepubliceerd in de Twentsche Courant Tubantia van 21 november 2015

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Ik wil meer informatie

Bel mij terug

Bekijk alle columns