Economische geografie

Via de Duitse SpacEconomics/Geographie-Podcast kwam ik onlangs een boeiend economisch-geografisch leerboek op het spoor. Het draagt de titel ‘Nachhaltige Wirtschaftsgeographie’ en is geschreven door Sebastian Losacker en Ingo Liefner, beiden werkzaam aan de Leibniz Universität in Hannover. In de podcast vertelde Losacker over de insteek van het in 2023 verschenen boek: ‘Wereldwijd is er consensus dat de mensheid de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN wil bereiken. Volgens ons kan de economische geografie daar een bijdrage aan leveren’ (vertaling GJH). Zo gezegd, zo gedaan: beide Duitse wetenschappers bespreken in hun leerboek duurzaamheid vanuit economisch-geografisch perspectief. Ze kijken naar zowel sociaaleconomische duurzaamheid (intrageneratieve gelijkheid) als ecologische duurzaamheid (intergeneratieve gelijkheid).

‘Nachhaltige Wirtschaftsgeographie’ heeft een heldere structuur en telt vijf hoofdstukken. Na een inleiding over wat ‘duurzame economische geografie’ behelst, wijden de auteurs hoofdstuk 2 en 3 aan sociaaleconomische duurzaamheid. Ze behandelen de oorzaken en gevolgen van verschillen tussen regio’s en benadrukken – in lijn met het hedendaagse discours – de invloed van technologie en innovatie. Allerlei bekende theorieën en concepten passeren de revue, van agglomeratiefactoren en regionale polarisatie tot clusterbenaderingen en innovatiesystemen. Voor mij als economisch-geograaf waren alleen de theorieën over regionale veerkracht, grondstofketens en upgrading echte eyeopeners. Lezers die meer willen weten over wat duurzame economische geografie ‘anders’ maakt kunnen volgens mij beter meteen doorbladeren naar hoofdstuk 4 en 5.

Hoofdstuk 4 behandelt vooral visies uit het geografisch transitieonderzoek, een deelgebied van wat tegenwoordig bekend staat als ‘transitiestudies’. Liefner en Losacker bespreken de overgang naar een ecologisch duurzame economie en de obstakels die daarbij op de loer liggen, zoals de lock-in van milieuvervuilende technologieën. Maar ze gaan ook in op de marktkansen van milieu-innovaties, multilevel-benaderingen van transitie en rebound-effecten van milieubesparende technologieën. Hoofdstuk 5 bevat relevante theorieën over inclusieve en frugale innovatie alsmede beschouwingen over alternatieve economische structuren. Hoewel de auteurs een reeks aan radicale economische benaderingen bespreken, vragen ze zich – in mijn ogen terecht – af of deze post-groeiperspectieven voet aan de grond zullen krijgen in de mainstream economische geografie.

Een sterk punt van het boek is de nadruk die de auteurs leggen op de trits ‘theorie, empirie en beleid’. Dat is niet toevallig, want Liefner en Losacker zien hun leerboek als een update van de klassieker ‘Wirtschaftsgeographie’ (1978) van hun leermeester Schätzl die deze driedeling ook als ordeningsprincipe hanteert. Wel is het jammer dat de auteurs nauwelijks casestudies van ‘echte’ plekken behandelen, zoals regio’s die ervaring hebben met ecologische transitie of steden die experimenteren met alternatieve economische concepten. Meer oog daarvoor had de leerstof tot leven kunnen brengen. Het ontbreken van praktijkcases is extra jammer omdat het boek niet alleen interessant is voor studenten, maar ook voor beleidsmakers. Want na lezing van ‘Nachhaltige Wirtschaftsgeographie’ deel ik de opvatting van de auteurs dat de economische geografie inderdaad kan bijdragen aan het bereiken van de duurzame ontwikkelingsdoelen van de VN.

Dit is een recensie van het volgende boek: Ingo Liefner & Sebastian Losacker (2023), Nachhaltige Wirtschaftsgeographie, Brill Schöningh, Paderborn

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Ik wil meer informatie

Bel mij terug

Bekijk alle columns