Vijandige architectuur
Metalen punten op muurtjes, tussenleuningen op bankjes, ongemakkelijke betonnen poefjes… als je erop gaat letten, kom je het in de openbare ruimte overal tegen: vijandige architectuur, bedoeld om bepaalde doelgroepen in de stad te weren. Vaak zijn daklozen het doelwit, maar ook hangjongeren, skaters of toeristen. Raadsleden in meerdere steden in ons land, waaronder Amsterdam, Utrecht en Enschede, maken zich druk om deze vorm van uitsluiting. Ze krijgen bijval van techniekfilosoof Robert Rosenberger. In een artikel in het Philosophy of the City Journal doet hij een poging om meer grip te krijgen op het fenomeen.
Rosenberger omschrijft vijandige architectuur als al die objecten in de publieke ruimte waarvan het ontwerp tot doel heeft om kwetsbare bevolkingsgroepen uit te sluiten. Zo moeten spikes op richels het zitten ontmoedigen, armleuningen op banken voorkomen dat daklozen erop slapen en beveiligingscamera’s mensen aanzetten tot zelfregulerend gedrag. Maar volgens Rosenberger zijn er ook subtielere vormen van vijandig stedelijk design. Denk aan sensorische verstoringen in de openbare ruimte, zoals het gebruik van geluid of licht om het verblijf in een stadspark ‘s nachts onaangenaam te maken. Ook het verbergen van voorzieningen (zodat ze moeilijk te vinden zijn) en het ontbreken of weghalen van straatmeubilair waar je het zou verwachten (zoals op stations) ziet hij als vijandige architectuur. Met name die laatste vorm, de afwezigheid van objecten, vind ik een eyeopener. Het verklaart in elk geval waarom ik jaren geleden tevergeefs heb lopen zoeken naar een bankje op een druk Amerikaans treinstation.
Volgens Rosenberger valt vijandige architectuur degenen die er niet door worden getroffen meestal niet op. Dat maakt het nog zuurder voor de doelgroep op wie het gericht is. Natuurlijk, sommige ontwerpen zijn duidelijk zichtbaar, zoals spikes onder viaducten die daklozen moeten weghouden. Maar bij andere ontwerpen is het vijandige karakter minder opvallend, bijvoorbeeld bij bankjes met armleuningen die ook als armsteunen kunnen dienen. Ook wijst Rosenberger erop dat we verder moeten kijken dan afzonderlijke objecten. Neem een plein met muurtjes met metalen punten die het zitten ontmoedigen. Als er tevens banken met tussenleuningen zijn en bewegingssensoren die ‘s nachts lichten activeren om te voorkomen dat mensen er slapen, dan het hele plein minder toegankelijk voor kwetsbare bevolkingsgroepen.
Met zijn artikel slaagt Rosenberger erin om meer bewustwording voor vijandige architectuur te creëren. Dat hij er veel kritiek op heeft, is niet verrassend. Hij roept beleidsmakers op om alternatieve methoden in te zetten om ervaren overlast in de publieke ruimte tegen te gaan, zoals een gesprek met de doelgroep om vervolgens samen een oplossing te zoeken. Dat is niet alleen effectiever dan vijandige architectuur, maar ook menselijker. Want uiteindelijk is de openbare ruimte, zoals de term al aangeeft, een plek voor iedereen.
Bron: R. Rosenberger (2023), A classification scheme for hostile design, Philosophy of the City Journal, 1 (1), pp. 49-70
Deze column is eerder gepubliceerd in Stadswerk Magazine (02/2025)