Kindvriendelijke steden
Eind vorig jaar was ik op een bijeenkomst over kindvriendelijke steden in de Tsjechische stad Ostrava. Hoofdspreker was de Brit Tim Gill, schrijver en expert op het gebied van kinderen, spelen en stedelijke ontwikkeling. Hij begon zijn lezing met de vraag aan de aanwezigen wat hun favoriete speelplek was toen ze zelf kind waren. Wat bleek? Vrijwel iedereen noemde een locatie in de buitenlucht waar ze zonder toezicht van volwassenen konden spelen – een plek waar ze vrij konden zijn. Is het dan niet vreemd, aldus Gill, dat we onze steden steeds minder vanuit dit perspectief van vrijheid hebben ingericht?
Gills lezing sloot nauw aan bij zijn rijk geïllustreerde boek Urban Playground: How Child-Friendly Planning and Design Can Save Cities (2021). Daarin pleit hij ervoor om steden door de ogen van kinderen te bekijken. En dan blijkt er nog veel mis te zijn. Vooral in grote steden staan kinderen bloot aan overmatig autoverkeer, lawaai en luchtvervuiling. Wat valt daaraan te doen? Om de kindvriendelijkheid van steden te analyseren gebruikt Gill een raamwerk met twee dimensies: (1) de beschikbaarheid van aantrekkelijke plekken voor kinderen en (2) de mate waarin ze die plekken zelfstandig kunnen bereiken. Alleen stadsbuurten die op beide dimensies goed scoren – voldoende aantrekkelijke plekken én veilige, toegankelijke routes daarnaartoe – zijn echt kindvriendelijk. Uit onderzoek blijkt dat kinderen groen, veiligheid, sociale ontmoetingsplekken en bewegingsvrijheid waarderen, terwijl ze druk verkeer, vervuiling en een beperkte keuze van aantrekkelijke locaties afwijzen. Om steden kindvriendelijker te maken, presenteert Gill tien strategische indicatoren die vanuit het gezichtspunt van een kind zijn geformuleerd. Kunnen ze bijvoorbeeld zelfstandig lopen of fietsen naar school en hebben ze toegang tot groene en rustige plekken? Volgens Gill zouden kinderen een stem moeten krijgen bij de totstandkoming van het gemeentelijk beleid. Maar dat is niet genoeg: er is een overkoepelende visie nodig met aandacht voor de hele stadsbuurt. Een goed voorbeeld is de eco-wijk Vauban in de Duitse stad Freiburg. De wijk is niet alleen compact en autoluw, maar heeft ook volop groen, goede wandel- en fietspaden en een tramverbinding. Het autoverkeer in Vauban is sterk beperkt, wat de veiligheid en leefbaarheid vergroot. Ook over Rotterdam is Gill erg te spreken.
Interessant: kindvriendelijke wijken lijken sterk op duurzame wijken. Weinig verkeer, veel bomen, en schone lucht dragen immers bij aan klimaatdoelen. Steden die investeren in kinderen, slaan dus twee vliegen in één klap. In dit verband haalt Gill Enrique Peñalosa, oud-burgemeester van Bogotá, aan die stelt: ‘Een stad die goed werkt voor kinderen, werkt goed voor iedereen.’ Dat Gills verhaal overtuigt, bleek ook tijdens de paneldiscussie in Ostrava. Al versta ik geen Tsjechisch, aan de lichaamstaal van de deelnemers en flarden van het gesprek die een collega voor me vertaalde kwam één boodschap duidelijk naar voren: laten we stedelijke uitdagingen meer door de ogen van kinderen bekijken, want dat is de weg naar betere steden.
Bron: T. Gill (2021), Urban Playground: How Child-Friendly Planning and Design Can Save Cities, RIBA Books, London
Deze column is eerder gepubliceerd in Stadswerk Magazine (01/2026)