Zo dichtbij en toch zo ver

In 1962 bracht Unilever dieetmargarine Becel op de markt. Het was een echte innovatie: cholesterol-bewust, gebaseerd op baanbrekend onderzoek en ontwikkeld met medische experts. Een toonbeeld van ‘biotech-food innovation’ zogezegd. In lijn met de theorie achter innovatiedistricten – hightech vraagt om high touch – zou je verwachten dat Rotterdam de kraamkamer van Becel was. Immers: in die stad stond destijds het hoofdkantoor van Unilever. Maar bij de totstandkoming van Becel kwam Rotterdam er nauwelijks aan te pas. De meeste innovatiepartners zaten elders: in Vlaardingen (laboratorium), Leiden (academisch ziekenhuis) en universiteitssteden in binnen- en buitenland (onderzoeksgroepen).

Het voorbeeld van Becel laat zien dat het lang niet altijd nodig is dat de samenwerkingspartners in dezelfde stad, wijk of werklocatie zitten. Innovatie vraagt niet alleen om onderzoek, maar ook om ontwikkeling en marketing – en daarvoor hoef je elkaar niet altijd diep in de ogen te kijken. Afhankelijk van het type kennis en de fase in het proces kunnen meerdere locaties relevant zijn. Het belang van fysieke nabijheid voor innovatie wordt ook gerelativeerd door de Utrechtse hoogleraar Ron Boschma. In een veel geciteerd artikel uit 2005 in Regional Studies wijst hij juist op andere vormen van nabijheid die bij innovatie een rol spelen:
Cognitieve nabijheid: de mate waarin actoren een vergelijkbare kennisachtergrond hebben en elkaar vakmatig begrijpen. Als partijen op dezelfde manier denken (denk aan ingenieurs onder elkaar), vergemakkelijkt dat de samenwerking en kennisoverdracht.
Sociale nabijheid: persoonlijke relaties, zoals vriendschaps-, familie- en collegiale banden. Sociale nabijheid kan ook voortkomen uit eerdere samenwerkingsrelaties op het gebied van innovatie, wat wederkerigheid in het uitwisselen van kennis bevordert.
Institutionele nabijheid: gedeelde normen, waarden en manieren van doen. Denk aan een vergelijkbare cultuur op nationaal of regionaal niveau (‘zo doen we dat hier’) of binnen een bepaald werkveld, zoals de academische wereld, industrie of overheid.
Organisatorische nabijheid: de vraag of partijen al dan niet deel uitmaken van dezelfde organisatorische entiteit, zoals hetzelfde concern of zusterbedrijf. Nabijheid op dit punt faciliteert de overdracht van knowhow en levert schaalvoordelen op.

Elke fase van het innovatieproces vraagt om andere vormen van kennis – en dus om andere vormen van nabijheid. In sommige stadia moet je elkaar echt even fysiek ontmoeten voor een gesprek ‘op ooghoogte’, op andere momenten volstaat een online meeting, telefoongesprek of mailwisseling. Cognitieve nabijheid is bijvoorbeeld cruciaal in de onderzoeksfase, terwijl fysieke en organisatorische nabijheid belangrijker zijn in de ontwikkelingsfase. En in de marketingfase is vooral institutionele nabijheid van belang – wie geen kennis van de markt heeft, kan zo maar de plank misslaan, waardoor de vernieuwing flopt. Kortom: ‘hightech vraagt om high touch’ klinkt mooi, maar soms heb je meer aan een collega aan het andere eind van de wereld met wie je op dezelfde golflengte zit. Zoals bij die ene hit van De Dijk: ‘zo dichtbij en toch zo ver.’

Bron: Ron A. Boschma (2005), Proximity and innovation: a critical assessment, Regional Studies, 39 (1), pp. 61–74

Deze column is eerder gepubliceerd in BT Magazine (01/2026)

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Ik wil meer informatie

Bel mij terug

Bekijk alle columns