Burgerwetenschap

Wat vinden inwoners belangrijk in hun dagelijkse leefomgeving? Hoe kan de gemeente ze meer betrekken? De laatste tijd wordt er veel onderzoek naar gedaan. Een greep uit de resultaten: burgers kunnen een waardevolle bijdrage leveren aan de lokale zaak, niet alleen door te stemmen, maar ook door hun kennis, competenties en contacten in te zetten. Ook zorgt burgerbetrokkenheid voor meer draagvlak voor maatregelen. Tegelijkertijd blijkt hoe belangrijk het is genuanceerd te denken over inwoners en hun bijdrage aan het reilen en zeilen van de gemeente. Zo bestaat de ‘gemiddelde’ burger niet en is slechts een deel van de burgerij actief – meestal de witte, hoogopgeleide senior met veel tijd. Ook komt telkens naar voren dat het lastig is om bewoners verder te laten kijken dan het hier en nu.

Gelukkig nemen overheden deze onderzoeksresultaten serieus; ze experimenteren volop met nieuwe vormen van burgerbetrokkenheid. Er is vooral veel aandacht voor de vraag hoe je het selectieve karakter van burgerschap kunt vermijden. Hoe bereik je de ‘non-usual suspects’? Het leidt tot innovatieve participatievormen, zoals burgerfora waarin complexe kwesties worden voorgelegd aan willekeurige, door loting bepaalde groepen inwoners. En om bewoners uit te dagen om wat verder te kijken dan de korte termijn – cruciaal voor langetermijnvraagstukken zoals klimaatverandering en woningbouw – passen Japanse gemeenten de Future Design-aanpak toe: één groep burgers geeft z’n visie op het heden en 2030, terwijl de andere groep zich moet verplaatsen in het jaar 2050.

Wetenschappers houden zich niet alleen figuurlijk bezig met het betrekken van burgers. Dat doen ze ook steeds meer letterlijk – men spreekt al van ‘citizen science’ (burgerwetenschap). De gedachte is simpel: omdat burgers hun dagelijkse leefomgeving als hun broekzak kennen, hebben ze kennis die waardevol is voor wetenschappelijk onderzoek. Vooral bij ruimtelijke vraagstukken wint burgerwetenschap aan populariteit, of het nu gaat om milieumetingen of onderzoek naar de ons omringende natuur. In 2021 deden Wageningse wetenschappers de oproep ‘mep een mug en stuur hem op’ om het gedrag van steekmuggen in de winter te onderzoeken. En rond Deventer, Olst-Wijhe en Zwolle treden burgers langs de IJssel op als ‘rivierafvalonderzoekers’ nadat ze bij het IVN een training hebben gevolgd.

In theorie leidt citizen science tot ‘wetenschap op ooghoogte’: open, niet-hiërarchisch en democratisch verantwoord onderzoek. Maar is dat ook zo? Er blijken nogal wat haken en ogen aan burgerwetenschap te zitten. Hoe betrouwbaar zijn de data die goedwillende burgers verzamelen? En hoe ga je om met het feit dat het vrijwilligerswerk is? Dat laatste leidt ertoe dat het vaak gedaan wordt door mensen die het kunnen en graag willen doen – lees: weer die witte, hoogopgeleide senior met veel tijd. Het risico is dat lokaal burgerschap daardoor nog selectiever wordt dan het al is. Hoe moeten we daarmee omgaan? Misschien is het een idee om aan deze vraag eens een burgerforum te wijden…

Deze column komt uit de bundel ‘Overijssels landleven: columns over het platteland’ (Stad en Regio & provincie Overijssel, 2023)

Share on FacebookShare on Google+Tweet about this on TwitterShare on LinkedInEmail this to someone

Ik wil meer informatie

Bel mij terug

Bekijk alle columns