Stedevaart stelt teleur
Een paar jaar geleden las ik ‘Steden lezen: de stille wording van Europa’ (2008) van Karl Schlögel. In het boek schetst de Duitse historicus het verleden van Oost-Europa door de lotgevallen van steden als Breslau, Boekarest en Magnitogorsk anekdotisch te beschrijven. De reportages zijn boeiend om te lezen en als geograaf steek je er ook nog wat van op – literaire non-fictie in optima forma! Ik had dan ook hoge verwachtingen van ‘Stedevaart’ (2020) van Jan Brokken, die in de Volkskrant eerder werd aangeprezen als ‘een goddelijk verteller’. Ook de achterflap beloofde veel goeds: ‘In Stedevaart neemt Jan Brokken de lezer mee op reis naar 22 steden, aan de hand van 22 markante persoonlijkheden die de geest van de stad incarneren.’
Toen ik me in het boek verdiepte, viel me op dat de keuze voor de plaatsen en de bijbehorende personen wel wat willekeurig was. Naast Amsterdam (componist Gustav Mahler), Kyoto (filosoof Kitaro Nishida) en Bordeaux (Brokkens schoonmoeder) komen bijvoorbeeld ook Otrobanda (een wijk in Willemstad op Curaçao, schrijver Tip Marugg), Aizpute (Letse stad, componist Pēteris Vasks) en Middelharnis (schilder Meindert Hobbema) aan bod. Daar zal de auteur wel een reden voor hebben, dacht ik aanvankelijk. Maar die reden blijkt simpelweg dat ‘Stedevaart’ voor bijna de helft bestaat uit eerder verschenen en voor het boek bewerkte stukken. Dat verklaart niet alleen de keuze voor juist deze plaatsen, maar ook de wisselende omvang van de verhalen. Het meest teleurgesteld ben ik echter in de beschrijving van de steden die Brokken aandoet. De verhalen lezen als een trein, daar niet van, en soms heeft de auteur mooie observaties, zoals wanneer hij schrijft over Berlijn (‘Ik had de indruk dat men in Berlijn bouwde om te vergeten’) of Vilnius (‘Zelfs bij mist heeft de stad iets magisch, als slechts enkele kerktorens door de nevel prikken’). Als lezer kom je echter vrijwel niets over de steden te weten. Neem het hoofdstuk over Düsseldorf, waarin slechts het atelier van beeldend kunstenaar Joseph Beuys getypeerd wordt. Alleen de hoofdstukken over Valencia en Bilbao gaan écht over de steden zelf. Maar ja, daarin figureren de architecten Santiago Calatrava respectievelijk Frank Gehry en de rol die ze in de stadsontwikkeling hebben gespeeld.
Brokken is inderdaad een begenadigd verteller, maar mist duidelijk de blik van een geograaf of historicus. Wat dat betreft staat zijn beginzin voor de rest van het boek: ‘Lange tijd heb ik het tegendeel geloofd, maar Mahlers voorliefde voor Amsterdam had weinig met de stad zelf te maken.’ Anders dan de achterflap doet voorkomen, komen steden er in de meeste verhalen maar bekaaid vanaf. Wie geïnteresseerd is in het leven van bekende en minder bekende creatieve geesten, moet het zeker lezen. Maar lezers die hopen de behandelde steden beter te leren kennen, haken waarschijnlijk voortijdig af. Ondanks de leuk bedachte titel is ‘Stedevaart’ meer biografisch dan geografisch van aard.
Deze boekrecensie is eerder verschenen in het vakblad Geografie (november 2021)