Wandelinterviews
‘Wandelen is het beste medicijn’ (Hippocrates), ‘Een ochtendwandeling is een zegen voor de hele dag’ (Henry David Thoreau), ‘De benen zijn de wielen van de creativiteit’ (Albert Einstein)… Grote denkers wisten het al: wandelen doet wonderen. Het wetenschappelijk bewijs ervoor groeit gestaag. Zo blijkt uit steeds meer studies dat het maken van een wandeling goed is voor onze fysieke en mentale gezondheid. Onderzoekers zelf pakken ook steeds meer de benenwagen. Dat zien we althans in het Verenigd Koninkrijk, waar sociale wetenschappers wandelen onder meer gebruiken als methode in het stadsonderzoek. In het paper ‘Using walking interviews’ (2010) zetten de sociologen Andrew Clark en Nick Emmel de methodologische voordelen van wandelen op een rij.
In hun onderzoek naar wijken ontdekten Clark en Emmel dat het interviewen van bewoners in een kantoor, buurthuis of andere afgesloten ruimte eigenlijk niet zo goed werkt. Veel inwoners willen de straat op om te laten zien wat ze bedoelen. Dat beelden van concrete plekken vaak meer zeggen dan woorden, was de onderzoekers wel bekend – niet iedereen heeft immers het vermogen alles helder te verwoorden. Maar Clark en Emmel kwamen erachter dat het wandelen met inwoners aanvullende inzichten in de buurt opleverde. Om te beginnen stellen ‘wandelinterviews’ de respondenten meer op hun gemak dan in een traditionele setting. Omdat bewoners vanuit hun dagelijkse leefomgeving dingen ter plekke kunnen toelichten, krijgen ze in feite controle over het onderzoeksproces. In plaats van een vraag-antwoord-spel ontwikkelt het interview zich zo tot een gelijkwaardig gesprek. Bovendien leidt een wandeling door de wijk vaak tot meer oog voor de ‘couleur locale’ (‘zoals je ziet, hebben we hier veel last van zwerfafval’), invallen bij de geïnterviewden (‘o ja, dat wilde ik ook nog zeggen’) en onverwachte ontmoetingen met buurtgenoten die extra informatie opleveren. En ook niet onbelangrijk: bij ‘wandelinterviews’ is de bereidheid van bewoners om mee te werken aan onderzoek groter dan bij reguliere vraaggesprekken waarbij de interviewer en de geïnterviewde tegenover elkaar zitten.
Op basis van hun ervaringen komen Clark en Emmel met enkele tips. Zo waarschuwen ze ervoor dat niet iedereen het leuk vindt om als ‘lokaal expert’ op te treden en de leiding in een interview te nemen – check dus even of de respondent zich bij deze rol comfortabel voelt. Laat de wijkwandeling ook niet te lang duren: anderhalf uur is toch wel het maximum. En ten slotte zijn privacy-issues van belang. Wie met een onderzoeker door de wijk loopt, is niet meer anoniem, wat gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van de onderzoeksgegevens. Desondanks wegen de voordelen van de ‘walking interviews’-methode op tegen de nadelen. Anders gezegd: ook voor stadsonderzoek geldt dat wandelen wonderen doet.
Bron: A. Clark & N. Emmel (2010), Using walking interviews, Realities Toolkit #13, ESRC National Centre for Research Methods, University of Manchester
Deze column is eerder gepubliceerd in Stadswerk Magazine (05/2023)